|
|
Jan Adriaansz. Leeghwater een 'Duizendkunstenaar' |
 |
|
 |
| Een eeuw geleden, werd ter gelegenheid van het 300 jaar bestaan van de Beemster in 1912
door drukkerij Jac.Krol een Gedenkboek uitgegeven. Een van de hoofdstukken was
gewijd aan de legendarische Leeghwater.
Nu de Beemster binnen enkele jaren (2012) zijn 400 jarig bestaan herdenkt,
wordt op deze site aan de hand van dit gedenkboek
opnieuw aandacht gewijd aan onze beroemde streekgenoot. |
|
Aangezien het taalgebruik in Nederland in de afgelopen eeuw aan verandering
onderhevig is geweest, wordt de tekst van dit artike beknopt en in hedendaags Nederlands
weergegeven.
Alleen citaten en uitspraken van Leeghwater, die
op zich zeer beeldend zijn, worden in de originele vorm overgenomen.
Met behulp van internet werden een aantal onderwerpen met plaatjes en tekst toegelicht(redactie). |
Jan
Adriaansz. werd in 1575 in de Rijp geboren. Zijn vader, Adriaan
Symonsz. was timmerman en zijn grootvader, Symon Rutz.
brouwer. Jan Adriaensz
vrouw kwam van Groot-Schermer. Uit het huwelijk werden drie zoons geboren: Symon,
Adriaan en Jan.
In verband met een octrooi dat hem in 1605 werdverleend naam Jan Adriaensz de
naam Leeghwater aan.
Leeghwater
bleef tot op hoge leeftijd helder van geest. Hij was een zeer bereisd man, die tot op zeer hoge leeftijd
heel Europa doorkruiste. Hij schreef
zijn Haarlemmermeerboek toen hij 69 was.
In 1650 overleed
Leeghwater op 75jarige leeftijd
in Amsterdam. |
Nalatenschap
Van Leeghwater zijn enkele tekeningen en voorwerpen
bewaard gebleven:
- een in 1638 vervaardigde pentekening, van een drijvende kan met opschrift: " Een
Can die veel te-water gaet, Int eynd noch wel aen stucken slaet".
- een lange stok met spitse metalen punt
- een fraai gesneden messenschede;
-
Tot 1838 waren een oorspronkelijk Octrooi uit 1605 en een verguld-zilveren gedenkpenning, geslagen op de overwinningen van Frederik Hendrik nog in het bezit
van zijn afstammelingen maar deze zijn helaas verloren geraakt. (een kopie van het octrooi is in 2004 opgedoken. Het berust bij het museum in De Rijp)
- een koperen 'Alidade' (liniaaltje met vizieren) van een werktuig om hoeken te
meten, met het jaartal 1619
|
Het Waterschap de Beemster bezit nog de originele pentekening van een watermolen.
Op deze tekening staat geschreven: "
Conterfeytinghe
van Beemster-Molens alhier ghestelt op de cleyne voet-maet" |
| "Een singuliere
persoonlijkheid, bedreven in tal van consten en waterschappen". Al waren tal van uitstekende landmeters en tekenaars betrokken bij de
bedijking van de Beemster, toch is niemand zo bekend geworden als Leeghwater.
Zijn roem, vooral in verband met de droogmaking van de Beemster, is welhaast legendarisch. Deze 'singuliere persoonlijkheid, bedreven in tal van consten en waterschappen' genoot bekendheid tot ver over de grenzen.
Zelf verhaalt hij over zijn activiteiten: |
"Ik
heb in mijn tijdt gemaakt...
"Ik
heb in mijn tijdt gemaakt verscheiden soorten van
molens, ook huizen en sluizen en verscheidene notabele
stukken van kassen en schrijnwerken, alsmede veel
verscheiden uurwerken in dorpen en steden; ook mede
twee groote notabele speelwerken te Amsterdam, staande
op den Wester- en Zuiderkerkstoren. Ik heb ook mede
gemetseld aan 't nieuwe stadhuis te Amsterdam (het Paleis op de Dam) en aan de toren van de Nieuwe
Kerk, alsmede aan de brug bij Jan Roodepoortstoren.
Behalve dien heb ik nog verscheiden notabele handwerken
gedaan in hout en steen, in koper, in ivoor en metaal,
hetwelk te lang zou wezen, om alles te verhalen".
Noot van de redactie:
De brug bij de Jan Roodenpoortstoren werd in 1648 (eind 80-jarige oorlog) gebouwd. Deze brug staat bekend als de Torensluis, een brede brug over het Singel in de binnenstad van Amsterdam.
Deze brug is zo breed, omdat hier de Jan Roodenpoortstoren stond. Deze werd gebouwd in 1616 en afgebroken in 1826.
De toren diende tevens als gevangenis. Nog steeds zijn de kerkers onder de toren in het bruggehoofd aanwezig. Het smalle straatje naar de brug heet Torensteeg.
|
|
 |
|
Op verzoek van
Dirck
Van Oss en de Hoofdingelanden, maakte Leeghwater aantekeningen,
verrichtte peilingen en aan de hand daarvan berekende
hij de capaciteit van de molens.
Toen in verband met
de omslag over de Bovenpolder, Middenpolder en Arenbergsche
polder de molens moesten worden getaxeerd, werd ook
dit aan Leeghwater opgedragen. Hij werd aanbevolen bij het droogmaken van onder meer de Purmer, de Wormer en de Schermer
en van andere meren en moerassen. |
Voor de droogmaking van de Beemster werd hij aangesteld als molenmaker en opzichter vande molenwerven.
Zijn vindingrijke geest wist grote verbeteringen aan te brengen
bij het zetten en stellen van de watermolens. Aan hem werd dan
ook het oppertoezicht toevertrouwd.
Leeghwater werd zelfs zo gewaardeerd,
dat de Hoofdingelanden/bedijkers hem in 1607 een extra beloning
gaven. |
|
 |
 |
|
Belegering van 's Hertogenbosch
Bij de belegering van Den Bosch in 1629 werd Leeghwater ontboden
bij de legeraanvoerder, prins Frederik Hendrik. Hij schrijft daarover
het volgende:"Het
water uit het leger te malen en de watermolens bij
Engelen weder gangbaar te maken, hetwelk ik met Gods
hulp gedaan heb.Het fabrijken en te ordineren om moerassen en meren te helpen droogmaken, door
het ordineren van dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molentochten,
kolken, wateringen en andere affairen, al te zamen dienende tot zoodanige werken,
gelijk in Holland bij vele lieden wel bekend is".
(Frederik Hendrik kreeg door zijn vernieuwende ideeën over krijgskunde
de titel 'Stedendwinger'. Leeghwater heeft wezenlijk bijgedragen
aan zijn succes). |
Doopsgezind
Legendarisch is het verhaal dat Leeghwater ter gelegenheid van het bezoek
van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik aan de net drooggevallen
Beemster aan tafel mocht bedienen. In die tijd gold dat als een hele
eer, zeker voor een Doopsgezinde, die niet tot de Staatskerk behoorde. |
|
 |
Schrijver
Als schrijver heeft Leeghwater eveneens naam gemaakt. Niet om de letterkundige
waarde van zijn geschriften, maar meer om de inhoud, waaruit een
groot bouwkundig inzicht sprak. Hoewel uit zijn schrijfstijl blijkt,
dat hij van eenvoudige afkomst was, bleek hij in staat zich uit
te drukken in het Frans, Duits en Latijn.
Hij schreef onder meer de volgende boeken |
|
Europese vermaardheid
De naam Leeghwater met betrekking tot waterbouwkundige projecten
kreeg zo'n bekende klank, dat hij in 1628 door de Hertog van Epernon
te Bordeaux (Frankrijk) werd ontboden. Deze wilde door hem geadviseeerd worden over het
droogmaken van een moeras in de buurt van deze stad. Ook uit Brussel kwam een verzoek van Aartshertog
Albertus om te helpen bij het droogmaken
van moerassen in Vlaanderen.
In 1630 verbleef hij zes weken in de buurt van Metz als adviseur
en in 1626 was hij in Holsteyn |
. |
|
"Hoe
men de Haarlemmer- en Leidsche meer bedijken kan"
Een droogmaak Caerte ende voorbereijdinge tot het bedijcken ende droochmaken vande Harlemummer Meer omte vertoonen aende wijse voorsienige heeren dijckgraeff ende hemraden van Rijnlandt, dat die selve met goeden raet en daet de hant daer mede willen aenhouwen om 't gemene lants beste te soecken om dit groote heerlijcke werck eens bijder hant te neemen om te bedijcken ende met Godes hulpe tot goet landt te brengen ende profijt doen / Gedaen door Gedaen door Jan Adriaenszoon Leeghwater ingenieur ende molenmaker vande Rijp in Noort Hollant met naersticheijt ondersocht den grond gepeijlt, geboort als ook van de dieptens, gronden, en nuttigheid
derzelven. |
Leeghwater was de eerste, die beschreef hoe de Haarlemmermeer kon worden
droog gemalen. Het boek omvatte het bedijken van het Meer en het droogmalen in molengangen met 160 windmolens vanwege de diepte van het water.
Dat
men het niet altijd eens was met de plannen van Leeghwater,
blijkt wel uit bezwaren die er tegen werden aangetekend. Het stoorde Leeghwater blijkbaar hevig, want in de vierde
druk van het Haarlemmermeerboek noemt hij een tegenstander
zelfs een warhoofd.
Hoewel het boek vaak werd geraadpleegd, werd pas
in 1851 de droogmaking van de Haarlemmermeer met behulp van stoomgemalen ter hand genomen.
Als eerbetoon werd een van de stoomgemalen naar Leeghwater genoemd.
|
Onderwatertruc
Leeghwater bleek ook in staat om onder water allerlei kunstjes uit te
halen. Met Pieter Pietersz, leraar bij de Doopsgezinden, gaf hij bij
Den Haag, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, Frederik Hendrik en
vele edelen een welgeslaagde proef. Dit werd door Leeghwater in de Kleine Kronijcke als
volgt genoteerd: (zijn tekst, hoewel in 17de eeuws Nederlands is makkelijk te lezen en wordt daarom hier onverkort overgenomen)
- In
't jaar 1605, in 't laatste van April, zoo is daar
een Wynkooper tot Alkmaar geweest, genaamt Dirck
Thomasz, die met de Prince Mauritius zeer familiaar
was, en verscheiden redenen met den Prince hadde,
waarvan hij mede verhaalde, dat in Noord-Holland
in de Rijp twee of drie jongelingen waren, die
onder het water konden gaan, waarvan den Prince
zeer begeerig was om 't zelve te zien; waarop den
Wynkooper tot antwoord gaf: Ik zal de luiden verschrijven,
dat zij bij zijne Vorstelijke Genade in den Hage
zullen komen."

- Ende alzoo door het schrijven zijn wij na den Hage gereist en
zijn aldaar bij den Prince gekomen, die ons zeer vriendelijk groette
en ons vraagde, of wij de luiden waren, die onder 't water konden
gaan? waarop wij antwoordden: Ja, mijn Genadigen Heer"; waarop
de Prince wederom zeide : "Hoe zoude men dat konnen weten,
of men zoude dat moeten zien" ; waarop wij wederom antwoordden
en zeiden : "Zoo het mijn Heer morgen belieft te zien, wij
willen het alhier morgen in den Vijver wel doen"; waarop de
Prince wederom zeide : "dat hij dat in den Vijver niet en
begeerde; daar zouden wel duizent menschen bij komen; dat en zoude
niet dienen."
- Doen heeft de Prince een Valkenier bij hem ontboden,
genaamt Henderik Evertszn., die met ons zoude
gaan buiten den Hage, om een water te zoeken,
daar 't bequaam was om de konst te doen, 't welke
wij alzo gedaan hadden, welke water is een weinig
buiten den Hage aan de linkerhand, in een Molentocht,
als men naar Delft vaart.
-
Den eersten dach doen was't een storm ende heel
kout weder, zo dat wij den Prince doen niet en
spraken, maar den tweeden dach daaraan heeft den
Prince ons een zeker uure gestelt als den maaltijt
gedaan was na den middag, dat wij dan op de plaatze
gereet zouden staan. waarbij dat de Prince ook
tegen ons zeide: "Mannen, ik heb gisteren wel om
u gedocht, ik en zonde niet gaarne hebben, dat
gij een ziekte zoude halen om mijnent wille."
- Alzo den tijt bestemt was, zoo zijn wij op de plaatze gegaan,
ende gereet gestaan; doen is den Prince Mauritius, met zijn broeder
Prins Henderik, met Graaf Willem van Vrieslant, met Graaf Ernst,
ende meer andere groote Heeren en Edelluiden met de koetzen bij
ons gekomen en daar alzo gelijk bij ons staande, doen zeide den
Prince Mauritius: "Mannen, ik ben nu gereet, om te zien";
waarop ik Jan Adriaansz. Leeghwater met een goede couragie in 't
water gesprongen ben, en zeide: »Adieu, mijn vroome Heeren";
ende ik was daar zo lange onder het water, dat den Prince Mauritius
met d' andere Heeren wel vernoegt waren, en doen ik weder boven
't water quam, doen vraagde mij den Prince Mauritius: "Wat
was dat geluit, dat ik hoorde?" waarop ik zeide: "Ik
heb luide geroepen; heeft mijn Heer dat ook verstaan? Waarop de
Prince zeide: "Ik meende, dat het het brullen van een koe
was."
- Daarna is Pieter Pieterz. een van onze medemakkers, in 't water
gesprongen een stuk weegs verscheiden, dewelke alzo lang onder
het water was als ik, waarover Pieter Pietsz. met zijn vingeren
een weinig boven 't water speelde; doen zei
de Graaf Willem van
Vrieslant: "Den kerel werd verzoepen; bij en kan hem niet
langer holden."
- Ende alzo Pieter Pietersz. mede op 't land komende,
wij beide nog fris ende wel waren, zoo heeft den
Prince Mauritius tegen ons gezeit: "Mannen,
ik zie dat de konste goet is; gaat niet uit den
Hage aleer ik u gesproken heb en gaat in een goede
herberge en maakt goede cier," hetwelk wij
alzo gedaan hebben, ende daarna zijn wij weder
bij den Prince gekomen op het Hof, daar hij ons
een vereeringe gegeven heeft, ende ook mede Octroy
van onze konste, hetwelk ik nog tot dezen dag bewaart
heb."
|
|
Octrooi
Wegens het succes in Den Haag werd het jaar daarop de proef in Amsterdam herhaald. Leeghwater bleef daarbij drie kwartier onder
water, bespeelde de schalmei, zong psalmen, schreef op een papier en
verrichtte meer verbazingwekkende dingen. De Staten Generaal verleende Leeghwater en zijn mede-uitvinders op 5 mei 1605 voor op deze wonderbaarlijke uitvinding een octrooi, dat gold voor tien jaar. Op namaak stond de straf van twee honderd
gulden. (voor wie kennis wil nemen van de inhoud van het octrooil is hieronder de tekst overgenomen, red.) .
De
Staten-Generaal der Vereenichde Nederlanden,
Allen
den ghenen die desen jegenwoordige sullen sien of te
hooren lesen, saluyt. Doen te weeten, dat wij ontfangen
hebben de supplicatie, aen ons gepresenteert bij Pieter
Pietersz., Jan Adriaansz. ende Willem Pietersz, alle woonende
in de Rype, inhoudende hoe dat sy supplianten geïnventeertende
bij Zijne Princelycke Excellentie geprobeert hebben,
seker waterconste, soo om onder 't water te gaen, staen,
sitten, liggen, eeten ende drincken, lesen ende scrijven,
singen ende spreken. Voorts om eenige bruggen ende sluysen
te repareren, cabels onder schepen die gesoncken zijn,
vast te maken, om die uyten gront te winden,item om
peerlen ende andere costelycke goederen op ten gront
te soucken, mitsgaders om eenige missiven ofte brieven
heymelyck onder 't water te dragen ende brengen, boven
dien zyn Asem bequamelyck te mogen halen, 't zij oft
het diep is een, twee, vijff, ses offe meer vademen,
verzoeckende ende biddende oitmoedelyck (nademael zij
beducht zyn, dat men haerlieder inventie soude namaecken),
dat Wy hen souden willen verleenen onse openen brieven
van Octroy, om de voorsz. heure Inventie voor eenige
jaren alleene in de Vereenichde Provincien te mogen maken,
met verboth van deselve na te maken, in geenerlye wyse,
int geheel ofte ten deele, bij verbeurte van sulcke nagemaecte
Inventie, ende daerenboven van seekere groote Penen,
bij ons daertoe te ordonneren.
|
|
 |
|
Duikerklok?
Vreemd genoeg werd later nooit gebruik van het octrooi gemaakt. Misschien hebben de uitvinders het geheim in het graf meegenomen, want het is altijd onbekend gebleven hoe ze dit huzarenstukje hebben
kunnen uitvoeren.
Uit het verhaal van Leeghwater zou men kunnen opmaken,
dat hij en zijn makkers geen toestel bij zich hadden, maar vermoed wordt, dat in het geheim een duikerklok werd geplaatst.
Toch blijft de vraag
blijft hoe Pieter Pietersz. 'met zijn vingeren een weinig boven 't
water kon spelen? En hoe zijn ze er onder water ingekropen?' |
Drebbel
Mogelijk
kan de uitvinding van een duikerklok door Cornelis Drebbel (1621)
er ook iets mee te maken hebben.
Diens bekendste uitvinding is de onderzeeër. Hij werkte enige tijd in Londen voor de Royal Navy en bouwde daar een aantal van deze vaartuigen; ieder volgend model wat groter dan diens voorganger. In 1620 voeren daarin 16 man een uur of drie onder het water van de Theems. Er was een stelsel van snorkelbuizen voor de luchttoevoer, maar Drebbel had ook een (al)chemische oplossing voor het ademprobleem bedacht. Een van zijn andere uitvindingen was namelijk de ontleding van salpeter (een nitraat, meestal van kalium) bij verhitting. Daarbij komt een gas vrij dat Drebbel gewoon 'lucht' noemde, maar waar twee eeuwen later een andere naam aan gegeven zou worden: zuurstof. |
 |
|
Op het veld van eer heeft Leeghwater geen roem verworven. In de Raadzaal heeft
zijn stem niet weerklonken. Vandaar dat hij minder algemeen bekend is,
dan hij verdient. Maar in het lage polderland zal zijn naam blijven voortleven
en hij verdient onder de grote Nederlanders uit de 17de
eeuw zekerniet de minste plaats.
Slot
Purmersteijn waar de plannen voor de droogmaking van
de Beemster werden besproken en de verdeling van de drooggevallen gronden
plaats had. |

|
| |
|
|
|